Naast twitteren is er ook zo het een en ander te zeggen over de social
media in het algemeen.
Enthousiastelingen propageren die sociale media om meerdere redenen. Ze
vinden het goed dat er (a) veel verbindingen ontstaan tussen mensen die (b)
anders nooit contact met elkaar zouden hebben gemaakt en (c) dat contact nooit
zouden kunnen onderhouden. De communicatie via social media worden (d) als
aanvullend gezien op alle andere wegen die wij kennen om met elkaar te
communiceren. Interessant argument pró social media vind ik (e) de toegejuichte
snelheid waarmee we berichten kunnen uitwisselen. En tenslotte – heel
ingewikkeld – zouden wij mensen via de social media op elkaar aangesloten
wezens (f) tezamen een hogere intelligentie realiseren. We vergelijken dan
graag met voorbeelden uit de dierenwereld: zoals een enkele vogel wellicht niet
zo clever is, dichten we de enorme
zwerm wel zo’n hogere vorm van intelligentie toe. (Zie bijvoorbeeld ‘Swarms’
van de BBC.)
Ik loop die pró argumenten eens langs.
(a) Ontegenzeggenlijk hebben mensen nog niet eerder in het bestaan van
de mensheid op zo grote schaal met elkaar contact kunnen maken – via techniek, that is.
We weten echter niet of mensen op andere manieren, dan via technische,
artificiële middelen, niet sowieso met elkaar in verbinding (hebben ge-)staan.
Verschillende spirituele tradities spreken van de verbinding met het al, of de
cosmos, of variaties van wat wordt bedoeld met dergelijke woorden. Als er
waarheden schuilen in die spirituele tradities voor wat betreft het bestaan van
die andere, universele verbindingen tussen mensen, dan zijn daarbij vergeleken
die social media natuurlijk maar heel povertjes: het grootste deel van de
mensheid heeft nog geen toegang tot de social media, terwijl zij op die andere
wijze behoren tot het geheel dat de cosmos is.
Voor mij is (a) vooralsnog meer een constatering (we kunnen op ongekend
grote schaal via technische middelen contact met elkaar maken), dan een
argument vóór social media.
(b) Zonder social media zouden die mensen nooit contact met elkaar
gemaakt hebben.
Ook hier weer: dat klopt, wanneer je in dit argument opneemt: via déze
techniek.
Vóór het bestaan van social media maakten mensen ook, volkomen
toevallig, contact met elkaar. Of de huidige, met techniek ondersteunde wijze
van toevallig contact met elkaar maken beter is (of in welk opzicht precies
anders) dan de – nog steeds bestaande – oude manier van contact maken, weten we
niet.
(c) Via social media kunnen we beter contact onderhouden.
Dit lijkt me een deugdelijk argument. Tenminste: ik ervaar zelf dat ik
makkelijker en vaker een sms-je verstuur of een email, dan dat ik telefoneer.
Telefoneren doe ik wel maar bijna alleen nog tijdens de uren onderweg in de
auto. Brieven schrijven doe ik bijna niet meer en enkel privé. En de mensen die
ik ‘life’ opzoek zijn of de mensen waarmee ik werk (het overgrote deel van mijn
‘life’ contacten) en enkele (afgezet tegen die eerste groep) vrienden en
familieleden.
Terwijl ik inderdaad veel van die contacten onderhoud met gebruik van
moderne technieken, blijf het verlangen voelen mijn familie en vrienden vaker
‘life’ te ontmoeten, en voel ik de frustratie van het zo zelden een echte brief
schrijven. Enerzijds maakt het gemak van de techniek dat ik me daaraan
overgeef. Anderzijds maakt het aantal mensen met wie ik contacten onderhoud,
wíl onderhouden, dat ik de tijd niet heb om vaker ‘life’ op te zoeken of die
brieven te schrijven. In die zin ervaar ik de social media eerder als hinderend
en beperkend.
(d) De social media zijn aanvullend.
Ik denk het wel, aanvullend. Maar zoals ik boven al schreef: in mijn
situatie nemen die technische mogelijkheden meer óver, dan dat ze aanvullen.
(e) De social media maken veel snellere communicatie mogelijk.
Voor zover ik overzie: ontegenzeggelijk waar.
Alhoewel: die spirituele ‘waarheden’ spreken over een communicatie die
natuurlijk nog veel sneller is. In die ‘waarheid’ hébben we altijd al contact,
en hoeven we geen woorden te wisselen om met elkaar contact te leggen. In die
‘waarheid’ ís dat contact er. Wij zíjn in contact, wij zijn één – als fysiek te
onderscheiden delen van het cosmische Geheel.
Is die (technische) snelheid zo wenselijk? Als het gaat om competitie is
snelheid absoluut een succesfactor. De eerste zijn, de snelste zijn – het zijn
kwalificaties die welhaast automatisch associëren met kwalificaties als de
beste, beter dan de tweede, beter dan de minder snelle. Hang je het geloof in
competitie en concurrentie aan, dan is snelheid dus zeer wenselijk.
Hang je het geloof aan waarin kwalificaties als samen, groeien,
bedachtzaam, slow (als in slow food), co-operatie (vs. competitie) als
succesfactoren, dan kan het niet anders of je zult toch wat vraagtekens moeten
plaatsen bij die zo geroemde snelheid die de social media ons bieden.
De snelheid waarmee we berichten van anderen binnen krijgen,
respectievelijk waarmee we onze ingevingen, ideeën, impulsen aan de wereld
kenbaar maken, heeft effecten die deels nu al ervaren kunnen worden en deels
effecten, die we nog niet overzien. Waarneembaar is dat bijvoorbeeld twitteren
leidt tot een stroom van meningen over meningen over meningen, reactie op reactie
op reactie. Ik zag dat er zelfs een nieuw woord is voor dit fenomeen: twitterfitty. Volg je als buitenstaander
een reeks van elkaar opvolgende tweets, dan ontstaat vaak het beeld van een
ongeleide, ongerichte sliert meningen, waarvan de laatste niet persé meer iets
te maken hoeft te hebben met de aanleiding van de eerste tweet. Het is als in
het spelletje op het schoolplein: laat het eerste kind iets in het oor
fluisteren van het tweede – bijvoorbeeld ‘bromtol’ – en na acht kinderen elkaar
te hebben laten befluisteren, kan het laatste kind triomfantelijk
roepen:‘springtouw!’
Onderweg hebben slecht luisteren, individuele associaties en vrije
interpretaties zo hun effecten.
Wat ik mis in die slierten van meningen en over elkaar buitelende
ingevingen, is opbouw van iets. Ik heb bijvoorbeeld nog niet gezien dat soort
slierten onsamenhangende getwitterde ideeën leidden tot ontwikkeling van een
samenhangend gedachtengoed. Nieuwe ideeën worden zo snel toegvoegd dat het doordenken
en overwegen van waarde en betekenis van ideeën van anderen in de twittersliert
amper mogelijk is. Immers: snel is Goed, veel is Goed. Dóórdenken en overwegen
is niet Snel en beperkt je in het aantal te produceren tweets (en in dit geloof
dus twee factoren die tot minder Goed leiden).
Wat ik waarneem is dat ‘gesprekken’ via andere media al met moeite
leiden tot doordacht en afgewogen gedachtengoed. De ‘discussies’ via LinkedIn
bijvoorbeeld verlopen via een veel trager medium dan twitteren. Maar ook daar
is te zien dat menig discussie vooral benut wordt als plek om óók iets te
zeggen over of een associatie toe te voegen aan het ‘topic’ dat aanleiding tot
de ‘discussie’ was. Behulpzaamheid te over, goed bruikbare associaties
wellicht, maar gezamenlijk voortbouwen van de ene idee op de ander tot een gedachtenbouwwerk
heb ik er nog maar amper gezien. Binnen de kortse keren fladdert een discussie
alle kanten op (gelijk een sliert tweets maar dan met meer lettertekens) en een
dialoog wil het maar niet worden. Heel soms lukt het om een dialoog vorm te
geven in een ‘life’ bijeenkomst, maar ook daar lijkt het vermogen om werkelijk
te dialogiseren eerder af dan toe te nemen.
(Dat afnemen van dergelijk vermogen, daar schrijf ik onderstaand meer
over.)
(f) Dankzij o.m. twitteren ontstaan meer verbindingen, als gevolg
waarvan een hogere intelligentie ontstaan dan die van de enkele individu.
Deze claim verwijst naar fenomenen die we in de dierenwereld kunnen
waarnemen. Eenvoudig verteld: één enkele mier of vogel demonstreert een niet zo
hoog intelligentie niveau. Opgenomen in de gemeenschap van duizenden of zelfs
miljoenen individuen laten kolonies mieren en zwermen vogels facinerende
mogelijkheden zien, die wij intelligent noemen.
De aanname is nu dat een kolonie respectievelijk zwerm twitterende
mensen een stuk intelligenter is, dan de enkele individu. Of uit deze vorm van
intelligentie hoogwaardiger ideeën geboren worden, kan ik nergens achterhalen.
Wat ik wel kan waarnemen is dat via twitteren (en andere social media) mensen
sneller en massaler gemobiliseerd kunnen worden dan zonder die technieken,
zoals voetbalhooligans en opstandige arabieren laten zien. Voor het (snel)
organiseren van dingen lijken de social media van enorm toegevoegde waarde.
Krantenlezend en er over pratend met anderen leverden nog zo wat losse
invallen op.
De suggestie dat al die via social media verbonden mensen tezamen een
hogere intelligentie vormen, riep bij mij de associatie op met een brein, dat
op hol slaat. In die associatie zie ik de individu als een hercencel.
Werkelijke hersencellen “vuren” hun informatie af aan slechts één andere cel.
Via social media (zoals twitter) “vuurt” de individu zijn informatie ongericht
en aan een onbekend aantal individuen af. Bovendien hebben de werkelijke
ontvangende hersencellen een remmende opvang-werking, terwijl de individuen
waarneembaar over een afnemend remmend vermogen beschikken: wij
komen om in de informatie-tsunami die
ons dagelijks overspoelt.
In die zin wij zijn als een (virtueel) brein dat op hol
slaat.
Trouwens: een nieuwe intelligentie? Als die al zou ontstaan is die door
ons niet te snappen, niet te overzien. Enkel inlichtingendiensten met
supercomputers die wereldwijd social media-verkeer volgen, kunnen wellicht op
termijn patronen ontdekken. Dan ook hier weer even die associatie met een
brein: zie hoever we zijn met hersenonderzoek.
Opmerkelijk vond ik het bericht van ‘Jeugd
& Cybersafety’-onderzoeker Joyce Kertens aan NHL Hogeschool Leeuwarden. Zij
vond uit dat veel jongere mensen de intimiteit van de slaapkamer verwarren met
de schijnintimiteit van het ‘onder ons’ internetten. Ook meldt Kertens dat
adolescenten social media (Hyves en Facebook) veelal
gebruiken bij het creëren van hun identiteit.
Dan schreef een historicus dat op internet informatie
veroudert en niet tot historie wordt. Dat komt omdat de context ontbreekt. Er
wordt geen samenhang tussen een voorval en een idee gegeven, waardoor er geen
betekenis ontstaat.
Marina Lacroix, politicologe, merkte op dat de dood
van Steve Jobs welliswaar confronterend kan zijn, maar dat het erop lijkt dat
de online rouwbetuigingen vooral het imago van de rouwbetuigende dient te scherpen:
“(..) eventjes kun je je associëren met deze Belangrijke Persoon.(..)”
Social media maken iedereen tot zender, ondanks de
schaarste aan ontvangers die de tijd hebben om te kunnen lezen, luisteren én
met de tijd en aandacht om ideeën, gedachtes en mogelijkheden te kunnen
‘proeven’ én die erop kunnen voortborduren tot een samenhangende, grotere idee.
Slechts de niet doordachte impuls, veroorzaakt door
een oneliner of tweet, is de op zichzelf staande aanleiding tot het zelf weer
zenden.
James Surowiecki schreef in zijn Wisdom of Crowds
(2004): “Internet is prima voor het snel opzoeken van informatie, het
mobiliseren van grote groepen mensen, het bieden van tegenwicht aan de
communicatiemiddelen van overheden, het vinden, vergelijken en kopen van
spullen en diensten, het bijhouden van contacten (niet: het onderhouden van
vriendschappen of liefdesrelaties), en het helpen van het toeval.”
En Bram Bakker, psychiater, schreef over
Twittergedrag onder meer, dat (..) aandachtsverslaving de meest voorkomende en
meest onderschatte vorm van verslaving is. (..)
Of social media per saldo meer negatieve dan positieve effecten veroorzaken
of andersom, weet ik nog niet. Voor zover ik nu kan beoordelen, lijken mij de
verschillende effecten, zoals fragmentatie en de in ieder geval door mijzelf
ervaren verslavende werking, niet wenselijk. Of beter: mijzelf bevallen die effecten niet. Vooral overzie ik nog niet waar
deze steeds technischer vorm van communiceren toe gaat leiden. Mijn blog
hierover moet je daarom zien in het licht van mijn onderzoek.
Ik vermoed overigens dat ik er uiteindelijk op uitkom, dat het niet
zozeer de social media zijn die positieve of negatieve effecten veroorzaken,
alswel onze omgang met die technieken.