zaterdag 10 december 2011

Appèl


De roeping van Matteüs, Rome, San Luigi dei Francesi, Contarellikapel, linkerwand
     


Wie geluisterd heeft naar het appèl van een mogelijke, nog onbekende inzet, kan als wet de eenzaamheid opgelegd krijgen. Ofschoon zulk een eenzaamheid tevens een gemeenschap inhoudt, die dieper gaat dan een vereniging van lichamen, laat je lichaam zich toch niet afschepen met grootspraak: wat je je lichaam onthoudt om op deze oproep van je eigen lot in te gaan, zal het terugeisen als je faalt - terugeisen in vormen die je niet zelf zult mogen kiezen.
De inzet zoekt ons, niet wij de inzet. Daarom ben je er trouw aan, als je wacht, in bereidheid.
En handelt - als de vraag gesteld wordt.

Dag Hammarskjöld, Merkstenen / Vägmärken (1965)

maandag 28 november 2011

Waar richt jij je aandacht op?



In tijden van verwarring en problemen, op zoek naar Leiders en Oplossingen, heeft het woord ‘oplossingsgericht’ een commercieel attractieve waarde. Logisch dat  Oplossings-gerichtheid als methode (www.solution-focused.nl) wordt verkocht. 



Echter: het gericht zijn op die oplossingen maakt dat menigeen zijn aandacht niet richt op wat er nu is.

Herinneringen aan ervaringen uit het verleden, bepalen gevoelens, beelden gedachten in het heden. In welke mate deze herinneringen hun bepalende werking hebben, weten veel mensen niet. Onbewust richten mensen hun aandacht op het verleden, terwijl de herinneringen de beleving van hun heden bepalen. Opmerkelijk is dat juist de pijnlijke ervaringen het hartnekkigst in onze herinnering blijven hangen. Als toekomstbeelden fungeren vaak die uit het verleden geprojecteerde pijnlijke herinneringen. Als de op het verleden gerichte mensen denken aan oplossingen, komt hun hun toekomstwens vaak niet verder dan:“In ieder geval niet meer zoals het was, alsjeblieft.”, of juist: “Graag weer zoals het was.” naar de situatie vóór de onprettige herinneringen.
Omdat de aandacht van deze mensen gericht is op hun verleden, wordt hun (gedachte) toekomst – waar ook oplossingen liggen – door dat verleden bepaald.

Andere mensen neigen er juist naar om via dromen en fantasieën meer in de toekomst te ‘leven’ (tot deze soort mensen behoor ikzelf). Hún beleving van het heden wordt juist bepaald door meer een toekomstgerichtheid. In het heden geconfronteerd met problemen, wordt hún aandacht vaak getrokken door droombeelden en fantasieën waar het beter toeven is, dan in het lastige heden, of hun pijnlijke verleden. De mensen die hun aandacht op de toekomst richten, kunnen ook minder aandacht hebben voor dat heden. Dromers en fantasten worden meestal ervaren als niet-praktisch. Hun ‘oplossingen’ zijn dat vaak ook: fantastisch, maar niet zo praktisch.

Zowel verledengerichte als toekomstgerichte mensen kunnen vanwege hun gerichtheid anders dan op het heden, ‘vergeten’ het heden volledig binnen te laten komen. Daardoor onderzoeken mensen het heden minder volledig en grondig, dan wanneer zij hun aandacht primair daarop zouden richten. 

Mensen die snappen hoe ze in het hier en nu terecht gekomen zijn, én het heden werkelijk tot hen laten doordringen, lezen in het heden af wat de waarschijnlijke de toekomst zal zijn. Zij bedenken geen oplossingen, zij lezen telkens uit het mee-reizend heden af, welke volgende stap zij moeten zetten. 
Zij laten het verleden meedoen in een niet vergeten besef van de gebeurtenissen die leidden tot dat heden, en hun intuïtief besef van hun bestemming.

Door hun aandacht volledig op het heden te richten, zorgvuldig te reflecteren op de effecten van zij hebben gedaan, doen zij stap voor stap het meest waarschijnlijk de juiste dingen. 
Het meest waarschijnlijk, want sommige dingen mislukken nu eenmaal. Dus niet: met zekerheid.
De juiste oplossingen zijn dan de meest waarschijnlijk afgeleides. Als je vandaag het juiste doet, en morgen weer, en morgen weer, kunnen je die mooie oplossingen je haast niet ontgaan. Ze liggen als het ware op je te wachten. Wanneer je je aandacht op de oplossingen richt, wordt het juist lastig.

Mindfulness beschrijft wat er aan de hand is wanneer je je aandacht volledig laat gaan naar wat er nu is. Let op: je aandacht laten gaan, is anders dan je aandacht richten. Vanuit de mentale staat van mindfulness verschijnt een 'schoon' beeld van wat er nu is, waardoor het heden beter kunt zien. Vanuit het beter zien van het heden, kom je tot beter overwogen interpretaties, trek je realistischer conclusies. Je standpunt wordt steviger, het maken van keuzes inzichtelijker en het nemen van beslissingen verstandiger. Zo wordt het waarschijnlijker dat je eerstvolgende stap, een juiste is.
Op het zetten van die stap, op wat je daadwerkelijk doet, richt dáár je aandacht op.

Waar richt jij je aandacht op?
Ben jij oplossingsgericht? Ben je doelgericht? Richt je je op succes, of winstmaximalisatie, of de Lerende Organisatie, op MVO of op de LeanSixSigma Organisatie? 
Op welk toekomstig geluk richt jij je aandacht?



zaterdag 12 november 2011

Primary motivation for CSR reporting


Corporate responsibility reporting not an option

By Heather Clancy | November 10, 2011, 1:12 PM PST

A new analysis published by management consulting firm KPMG shows that a vast majority of top companies around the world are now reporting on their corporate social responsibility activities as a matter of course.

In the United States, for example, 83 percent of the top 100 businesses have a CSR component to their annual and ongoing disclosure activities, according to the firm’s analysis. That is pretty high, and it was up from 74 percent the last time that KPMG conducted this study in 2008. But there are other countries where the percentage is even higher. In the United Kingdom, for one, the number is 100 percent. Japan, South Africa, France, Denmark, Brazil and Spain, and Finland also support higher percentages than in the United States. Only Denmark is behind, with 82 percent.

KPMG suggests that there are a number of reasons why this has happened, despite the rather lackluster economic climate around the world. These factors were listed as the primary motivators for CSR reporting:
                Reputation and brand (67 percent)
                Ethics (58 percent)
                Employee motivation (44 percent)
                Innovation and learning (44 percent)
                Risk management (35 percent)

John Hickox, KPMG Americas Leader for Climate Change & Sustainability, said that approximately one-half of all large companies around the global have reported some sort of financial gain associated with their CSR initiatives. Data quality, as a result, will be something scrutinized more closely in the near future, according to the KPMG practice leaders.

“Assuring the accuracy of this non-financial data becomes critical as more companies work to include [corporate responsibility] information in their annual reports to shareholders,” said Peter Minan, audit leader for the KPMG Climate Change & Sustainability practice. “Ultimately, a combination of financial and CR reporting and how they relate to each other would represent a more comprehensive approach to reflecting a company’s full business performance in delivering on its strategy.”

The fact that risk management was the last of the motivators listed by the companies underscores the current thinking with respect to reporting, which still is largely driving by corporate marketing, communications and branding executives.

This is changing, however. If you were to ask companies like The Coca-Cola Co., PepsiCo or Anheuser Busch InBev about the primary motivators for their water management strategies, as an example, I’d be willing to be that risk management would be foremost. No water, no soda, no beer or other adult beverages. As more business leaders become clued into the fact that sustainable resource consumption could also inspire innovative new products and services, I believe you’ll also see that number rise. 

But for now, again, it is clear that protecting the brand is the primary motivation for CSR reporting.

En daar wil ik iets aan doen.

woensdag 9 november 2011

De nieuwe lifestyle: MVOs


Afgaande op het aantal bedrijven dat MVO-verslagen publiceert, zou je kunnen denken dat het goed gesteld is met het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het wonderlijke is dat in veel van diezelfde bedrijven een enkele staffunctionaris is aangesteld als verantwoordelijke voor MVO-aangelegenheden, ressorterend onder een manager van de afdeling communicatie of marketing, of een dergelijke stafafdeling. 

Wat is daar wonderlijk aan?

De sturende top van een bedrijf bepaalt de aard van het spel dat gespeeld wordt, de grenzen van het speelveld en stelt vast welke spelregels gelden. Niet zelden is de top onbewust van het volledig effect van dit bepalen van spel, speelveld en spelregels. Op deze wijze is de eindverantwoordelijke top in elk bedrijf namelijk óók bepalend voor de lengte van het ontwikkelingspad en breedte en diepte van de ontwikkelruimte. De top die werkelijk doordrongen is van dit fenomeen, neemt er ook werkelijk zélf en persoonlijk verantwoordelijkheid voor. In díe bedrijven wordt de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling niet (deels) gedelegeerd aan stafdiensten als HR, of communicatie, of marketing, maar persoonlijk door de leden van de directie of bestuur genomen en gedragen.

MVO is bij uitstek een organisatie-ontwikkel-activiteit. Derhalve is MVO bij uitstek een verantwoordelijkheid, die de top zélf dient te nemen – en niet mág delegeren aan een staffunctionaris, of aan een schaamlap in de persoon van een de facto ongevaarlijke speler in de directie of board. In alle bedrijven waar er iemand ‘ergens’ in de organisatie is aangesteld om ‘iets’ te doen aan MVO kun je weten, dat het MVO-jaarverslag een farce is, een modische vlag die geen maatschappelijk verantwoordelijk ondernemen als lading dekt.

Bas Heijne [NRC/H 5 & 6 november 2011] schrijft er in zijn column “Doe wat!” dit over:
(..) “Het grootste probleem is de annexatie van maatschappijkritiek door het bedrijfsleven. In de afgelopen jaren toonden steeds meer bedrijven zich bewust van hun verantwoordelijkheid. Shell ging met milieuorganisaties rond de tafel zitten. Ondernemingen committeerden zich aan goede doelen. Op talloze bijeenkomsten moesten veelbelovende jongeren zich tegenover CEO’s bewijzen – niet door hun vermogen om targets te halen, maar door het belijden van hun maatschappelijke betrokkenheid. Je moest niet laten zien dat je handig was in zaken, maar dat je waterputten wilde slaan in Malawi.
Het leek voor alle partijen goed: idealisme in praktijk gebracht, de bedrijven legitimeren zich in de samenleving. Maar doordat het engagement onderdeel van het establishment werd, werd het ook krachteloos, een vorm van lifestyle.” (..)

Voor veel bedrijven is MVO niet veel meer dan een min of meer verplichte lifestyle.

Wil je weten hoe het er écht voorstaat met MVO binnen een organisatie? Kijk wie zich persoonlijk verantwoordelijk weet en initiator is voor de ontwikkelprocessen, die tezamen deel uitmaken van wat maatschappelijk verantwoord ondernemen maakt of breekt.

Ontmoet je een enthousiaste staffunctionaris (bijvoorbeeld een projectleider MVO of een dergelijke functietitel? Betreur die persoon en lees het MVO-verslag met veel korrels zout. Zeer waarschijnlijk is men in dat bedrijf “bezig” met minder e-mail uitprinten, dubbelzijdig kopiëren, carpoolen, zelf bekers in vaatwassers zetten, de verwarming wat lager & vaker een dikke trui aan, en deelname aan Alpe d’Hu6, het verkrijgen van een MVO-keurmerk, en vooral: vele projectgroepvergaderingen erover.

Ontmoet je een directeur of een voorzitter van de raad van bestuur, die zich persoonlijk inzet voor het ontdekken van wat MVO is, behelst en vergt?
Dikke kans dat er in die organisatie serieus werk wordt gemaakt van MVO.
Lees hún verslag met extra aandacht! In die organisaties gebeuren mooie dingen!

PS. Gaarne word ik getipt over de laatste categorie organisaties en hun bestuurders. 
Voor mijn onderzoek kom ik graag in contact met dergelijke witte raven.

donderdag 3 november 2011

(On-)verantwoord investeren


“Het is dom de markt voor credit default swaps om zeep te helpen. Zulke verzekeringen hebben juist veel nut, omdat investeerders hun risico zo afdekken”, zegt hoogleraar Sweeder van Wijnbergen als reactie op het stilvallen van de markt van die credit default swaps als gevolg van maatregelen van ‘Europa’ gericht op het voorkomen dat verzekeringen – die investeerders afsloten als bescherming tegen (Griekse) wanbetaling – uitbetaald gaan worden, uit angst tegen de paniekreacties op de financiële markten, die dáárvan weer het gevolg kunnen zijn. (NRC/H 2 november 2011)

Juist doordát investeerders hun risico’s kunnen afdekken, doen zij investeringen die risicovol zijn. Konden zij zich niet indekken tegen dergelijke risico’s, dan zouden zijzelf veel van hun huidige investeringen als ‘niet verantwoord’ beoordelen.

Het wordt tijd dat investeerders weer leren verantwoorde investeringen te doen.
Dat kunnen zij leren door weer zelf álle effecten voor eigen rekening te nemen.

woensdag 19 oktober 2011

Mine! Mine! Mine! (2)


Naast twitteren is er ook zo het een en ander te zeggen over de social media in het algemeen.

Enthousiastelingen propageren die sociale media om meerdere redenen. Ze vinden het goed dat er (a) veel verbindingen ontstaan tussen mensen die (b) anders nooit contact met elkaar zouden hebben gemaakt en (c) dat contact nooit zouden kunnen onderhouden. De communicatie via social media worden (d) als aanvullend gezien op alle andere wegen die wij kennen om met elkaar te communiceren. Interessant argument pró social media vind ik (e) de toegejuichte snelheid waarmee we berichten kunnen uitwisselen. En tenslotte – heel ingewikkeld – zouden wij mensen via de social media op elkaar aangesloten wezens (f) tezamen een hogere intelligentie realiseren. We vergelijken dan graag met voorbeelden uit de dierenwereld: zoals een enkele vogel wellicht niet zo clever is, dichten we de enorme zwerm wel zo’n hogere vorm van intelligentie toe. (Zie bijvoorbeeld ‘Swarms’ van de BBC.)

Ik loop die pró argumenten eens langs.
(a) Ontegenzeggenlijk hebben mensen nog niet eerder in het bestaan van de mensheid op zo grote schaal met elkaar contact kunnen maken – via techniek, that is.
We weten echter niet of mensen op andere manieren, dan via technische, artificiële middelen, niet sowieso met elkaar in verbinding (hebben ge-)staan. Verschillende spirituele tradities spreken van de verbinding met het al, of de cosmos, of variaties van wat wordt bedoeld met dergelijke woorden. Als er waarheden schuilen in die spirituele tradities voor wat betreft het bestaan van die andere, universele verbindingen tussen mensen, dan zijn daarbij vergeleken die social media natuurlijk maar heel povertjes: het grootste deel van de mensheid heeft nog geen toegang tot de social media, terwijl zij op die andere wijze behoren tot het geheel dat de cosmos is.
Voor mij is (a) vooralsnog meer een constatering (we kunnen op ongekend grote schaal via technische middelen contact met elkaar maken), dan een argument vóór social media.

(b) Zonder social media zouden die mensen nooit contact met elkaar gemaakt hebben.
Ook hier weer: dat klopt, wanneer je in dit argument opneemt: via déze techniek.
Vóór het bestaan van social media maakten mensen ook, volkomen toevallig, contact met elkaar. Of de huidige, met techniek ondersteunde wijze van toevallig contact met elkaar maken beter is (of in welk opzicht precies anders) dan de – nog steeds bestaande – oude manier van contact maken, weten we niet.

(c) Via social media kunnen we beter contact onderhouden.
Dit lijkt me een deugdelijk argument. Tenminste: ik ervaar zelf dat ik makkelijker en vaker een sms-je verstuur of een email, dan dat ik telefoneer. Telefoneren doe ik wel maar bijna alleen nog tijdens de uren onderweg in de auto. Brieven schrijven doe ik bijna niet meer en enkel privé. En de mensen die ik ‘life’ opzoek zijn of de mensen waarmee ik werk (het overgrote deel van mijn ‘life’ contacten) en enkele (afgezet tegen die eerste groep) vrienden en familieleden.
Terwijl ik inderdaad veel van die contacten onderhoud met gebruik van moderne technieken, blijf het verlangen voelen mijn familie en vrienden vaker ‘life’ te ontmoeten, en voel ik de frustratie van het zo zelden een echte brief schrijven. Enerzijds maakt het gemak van de techniek dat ik me daaraan overgeef. Anderzijds maakt het aantal mensen met wie ik contacten onderhoud, wíl onderhouden, dat ik de tijd niet heb om vaker ‘life’ op te zoeken of die brieven te schrijven. In die zin ervaar ik de social media eerder als hinderend en beperkend.

(d) De social media zijn aanvullend.
Ik denk het wel, aanvullend. Maar zoals ik boven al schreef: in mijn situatie nemen die technische mogelijkheden meer óver, dan dat ze aanvullen.

(e) De social media maken veel snellere communicatie mogelijk.
Voor zover ik overzie: ontegenzeggelijk waar.
Alhoewel: die spirituele ‘waarheden’ spreken over een communicatie die natuurlijk nog veel sneller is. In die ‘waarheid’ hébben we altijd al contact, en hoeven we geen woorden te wisselen om met elkaar contact te leggen. In die ‘waarheid’ ís dat contact er. Wij zíjn in contact, wij zijn één – als fysiek te onderscheiden delen van het cosmische Geheel.
Is die (technische) snelheid zo wenselijk? Als het gaat om competitie is snelheid absoluut een succesfactor. De eerste zijn, de snelste zijn – het zijn kwalificaties die welhaast automatisch associëren met kwalificaties als de beste, beter dan de tweede, beter dan de minder snelle. Hang je het geloof in competitie en concurrentie aan, dan is snelheid dus zeer wenselijk.
Hang je het geloof aan waarin kwalificaties als samen, groeien, bedachtzaam, slow (als in slow food), co-operatie (vs. competitie) als succesfactoren, dan kan het niet anders of je zult toch wat vraagtekens moeten plaatsen bij die zo geroemde snelheid die de social media ons bieden.
De snelheid waarmee we berichten van anderen binnen krijgen, respectievelijk waarmee we onze ingevingen, ideeën, impulsen aan de wereld kenbaar maken, heeft effecten die deels nu al ervaren kunnen worden en deels effecten, die we nog niet overzien. Waarneembaar is dat bijvoorbeeld twitteren leidt tot een stroom van meningen over meningen over meningen, reactie op reactie op reactie. Ik zag dat er zelfs een nieuw woord is voor dit fenomeen: twitterfitty. Volg je als buitenstaander een reeks van elkaar opvolgende tweets, dan ontstaat vaak het beeld van een ongeleide, ongerichte sliert meningen, waarvan de laatste niet persé meer iets te maken hoeft te hebben met de aanleiding van de eerste tweet. Het is als in het spelletje op het schoolplein: laat het eerste kind iets in het oor fluisteren van het tweede – bijvoorbeeld ‘bromtol’ – en na acht kinderen elkaar te hebben laten befluisteren, kan het laatste kind triomfantelijk roepen:‘springtouw!’
Onderweg hebben slecht luisteren, individuele associaties en vrije interpretaties zo hun effecten.

Wat ik mis in die slierten van meningen en over elkaar buitelende ingevingen, is opbouw van iets. Ik heb bijvoorbeeld nog niet gezien dat soort slierten onsamenhangende getwitterde ideeën leidden tot ontwikkeling van een samenhangend gedachtengoed. Nieuwe ideeën worden zo snel toegvoegd dat het doordenken en overwegen van waarde en betekenis van ideeën van anderen in de twittersliert amper mogelijk is. Immers: snel is Goed, veel is Goed. Dóórdenken en overwegen is niet Snel en beperkt je in het aantal te produceren tweets (en in dit geloof dus twee factoren die tot minder Goed leiden).

Wat ik waarneem is dat ‘gesprekken’ via andere media al met moeite leiden tot doordacht en afgewogen gedachtengoed. De ‘discussies’ via LinkedIn bijvoorbeeld verlopen via een veel trager medium dan twitteren. Maar ook daar is te zien dat menig discussie vooral benut wordt als plek om óók iets te zeggen over of een associatie toe te voegen aan het ‘topic’ dat aanleiding tot de ‘discussie’ was. Behulpzaamheid te over, goed bruikbare associaties wellicht, maar gezamenlijk voortbouwen van de ene idee op de ander tot een gedachtenbouwwerk heb ik er nog maar amper gezien. Binnen de kortse keren fladdert een discussie alle kanten op (gelijk een sliert tweets maar dan met meer lettertekens) en een dialoog wil het maar niet worden. Heel soms lukt het om een dialoog vorm te geven in een ‘life’ bijeenkomst, maar ook daar lijkt het vermogen om werkelijk te dialogiseren eerder af dan toe te nemen.
(Dat afnemen van dergelijk vermogen, daar schrijf ik onderstaand meer over.)

(f) Dankzij o.m. twitteren ontstaan meer verbindingen, als gevolg waarvan een hogere intelligentie ontstaan dan die van de enkele individu.
Deze claim verwijst naar fenomenen die we in de dierenwereld kunnen waarnemen. Eenvoudig verteld: één enkele mier of vogel demonstreert een niet zo hoog intelligentie niveau. Opgenomen in de gemeenschap van duizenden of zelfs miljoenen individuen laten kolonies mieren en zwermen vogels facinerende mogelijkheden zien, die wij intelligent noemen.
De aanname is nu dat een kolonie respectievelijk zwerm twitterende mensen een stuk intelligenter is, dan de enkele individu. Of uit deze vorm van intelligentie hoogwaardiger ideeën geboren worden, kan ik nergens achterhalen. Wat ik wel kan waarnemen is dat via twitteren (en andere social media) mensen sneller en massaler gemobiliseerd kunnen worden dan zonder die technieken, zoals voetbalhooligans en opstandige arabieren laten zien. Voor het (snel) organiseren van dingen lijken de social media van enorm toegevoegde waarde.

Krantenlezend en er over pratend met anderen leverden nog zo wat losse invallen op.
De suggestie dat al die via social media verbonden mensen tezamen een hogere intelligentie vormen, riep bij mij de associatie op met een brein, dat op hol slaat. In die associatie zie ik de individu als een hercencel. Werkelijke hersencellen “vuren” hun informatie af aan slechts één andere cel. Via social media (zoals twitter) “vuurt” de individu zijn informatie ongericht en aan een onbekend aantal individuen af. Bovendien hebben de werkelijke ontvangende hersencellen een remmende opvang-werking, terwijl de individuen waarneembaar over een afnemend remmend vermogen beschikken: wij komen om in de informatie-tsunami die ons dagelijks overspoelt. 
In die zin wij zijn als een (virtueel) brein dat op hol slaat.

Trouwens: een nieuwe intelligentie? Als die al zou ontstaan is die door ons niet te snappen, niet te overzien. Enkel inlichtingendiensten met supercomputers die wereldwijd social media-verkeer volgen, kunnen wellicht op termijn patronen ontdekken. Dan ook hier weer even die associatie met een brein: zie hoever we zijn met hersenonderzoek.

Opmerkelijk vond ik het bericht van ‘Jeugd & Cybersafety’-onderzoeker Joyce Kertens aan NHL Hogeschool Leeuwarden. Zij vond uit dat veel jongere mensen de intimiteit van de slaapkamer verwarren met de schijnintimiteit van het ‘onder ons’ internetten. Ook meldt Kertens dat adolescenten social media (Hyves en Facebook) veelal gebruiken bij het creëren van hun identiteit.

Dan schreef een historicus dat op internet informatie veroudert en niet tot historie wordt. Dat komt omdat de context ontbreekt. Er wordt geen samenhang tussen een voorval en een idee gegeven, waardoor er geen betekenis ontstaat.

Marina Lacroix, politicologe, merkte op dat de dood van Steve Jobs welliswaar confronterend kan zijn, maar dat het erop lijkt dat de online rouwbetuigingen vooral het imago van de rouwbetuigende dient te scherpen: “(..) eventjes kun je je associëren met deze Belangrijke Persoon.(..)”

Social media maken iedereen tot zender, ondanks de schaarste aan ontvangers die de tijd hebben om te kunnen lezen, luisteren én met de tijd en aandacht om ideeën, gedachtes en mogelijkheden te kunnen ‘proeven’ én die erop kunnen voortborduren tot een samenhangende, grotere idee.
Slechts de niet doordachte impuls, veroorzaakt door een oneliner of tweet, is de op zichzelf staande aanleiding tot het zelf weer zenden.

James Surowiecki schreef in zijn Wisdom of Crowds (2004): “Internet is prima voor het snel opzoeken van informatie, het mobiliseren van grote groepen mensen, het bieden van tegenwicht aan de communicatiemiddelen van overheden, het vinden, vergelijken en kopen van spullen en diensten, het bijhouden van contacten (niet: het onderhouden van vriendschappen of liefdesrelaties), en het helpen van het toeval.”

En Bram Bakker, psychiater, schreef over Twittergedrag onder meer, dat (..) aandachtsverslaving de meest voorkomende en meest onderschatte vorm van verslaving is. (..)

Of social media per saldo meer negatieve dan positieve effecten veroorzaken of andersom, weet ik nog niet. Voor zover ik nu kan beoordelen, lijken mij de verschillende effecten, zoals fragmentatie en de in ieder geval door mijzelf ervaren verslavende werking, niet wenselijk. Of beter: mijzelf bevallen die effecten niet. Vooral overzie ik nog niet waar deze steeds technischer vorm van communiceren toe gaat leiden. Mijn blog hierover moet je daarom zien in het licht van mijn onderzoek.

Ik vermoed overigens dat ik er uiteindelijk op uitkom, dat het niet zozeer de social media zijn die positieve of negatieve effecten veroorzaken, alswel onze omgang met die technieken.

donderdag 15 september 2011

Mine! Mine! Mine!


Verschillende malen ben ik uitgenodigd om een twitter-account aan te maken of om twitteraars te volgen. Als ik de gesprekken erover hoor en het vele nieuws erover lees, bekruipt me telkens het gevoel dat ik er niet helemaal meer bij hoor als ik niet meedoe. Alsof ik me afzijdig houd van iets, waar ik aan mee zou moeten doen.

Afgezien van de enthousiaste verhalen erover en de claim dat het ‘echt heel veel bijdraagt’, snapte ik maar matig wat twitteren is, en al helemaal niet welke bijdrage twitteren levert. Eén van mijn motto’s is dat ik eerst iets wil begrijpen, voordat ik besluit iets aan te nemen, of af te wijzen. Daarom heb ik bij de bieb ‘de kleine Twitter voor Dummies’ maar eens gehaald.


Na bestudering van dit naslagwerk en een bezoek aan www.twitterinfo.nl  snap ik dat je met twitter de mogelijkheid krijgt om wat eerst al mogelijk was via sms-berichten te communiceren, nu op enorme schaal te doen. Wat twitteren ook anders maakt dan sms-en is dat ik niet meer aan iemand die ik specifiek iets wil laten weten een berichtje stuur, maar – als ik dat wil – aan de gehele twittergemeen-schap, dwz: aan iedereen die een twitter-account aanmaakte en om welke reden dan ook besloot mijn getwitter te willen volgen.

Wat ik niet ontdek is wat ik eraan héb, aan dit super-sms-en. Een Vlaamse stem zegt in een filmpje op Twitterinfo:“Ontdek wat in de wereld zich afspeelt op dit ogenblik.” Voor mij persoonlijk hoeft dat op dit ogenblik niet zo. En ook knaagt er bij mij iets over dat ontdekken. Ik ervaar het méér als een mij overstromende hoeveelheid losse gedachten, invallen en ideetjes, dan dat ik de wereld aan het ontdekken ben, of dat ik werkelijk kan ontdekken wat de samenhang is in al die losse impulsen. Het 'ontdekken van de wereld op dit moment' is daarom op deze wijze niet zo aan mij besteed. 
Het is alsof ik naar van alles kijk, maar niks werkelijk zie.

Wat ik wél ervaar is hoe twitteren mij stoort en hindert. De onafgebroken en immer groter wordende stroom impulsen die ik te verwerken krijg via o.m. dit sociaal medium, stoort mij vanwege de afleidende werking. Ik wordt voortdurend verstoord en uit mijn concentratie gehaald. Wat mij op een dieper niveau hindert is de verslavende werking. Telkens voel ik de neiging even te kijken of ik een berichtje “van iemand” heb, even kijken of iemand op mijn bericht reageerde. Die neiging, die stoort mij misschien nog wel het meest. Het is alsof er voortdurend een programma in mijn achterhoofd draait dat mij afhoudt van de dingen waar ik geconcentreerd mee bezig wil zijn.

Wat mij helpt om met die neiging om te gaan, is het vermijden op dergelijke wijze verleid te worden. Destijds was het rode knipperende lichtje van mijn blackberry bijkans onweerstaanbaar. Als het knipperde móést ik gewoon wel kijken. Op vakantie gaan in de bergen op een hoogte waar ik zeker was geen bereik te hebben, was dé oplossing om mijn vakantiegevoel onbekommerd in stand te houden. 
Door mij af te sluiten van verleiders als facebook, myspace, hyves en dus ook twitter lukt het mij beter te zijn waar ik wil zijn: in mijn gedachtenwereld, in het gesprek met iemand. Ik vertrouw erop dat iemand die mij werkelijk iets wil vertellen, mij wel belt of sms-t of emailt, ouderwets opzoekt voor een gesprek of nog archaïscher: een brief schrijft. 

Wat ik op twitter tegen heb buiten direct mijzelf, is de fragmenterende werking die het heeft. De wereld van ideeën en begrip fragmenteert op een verontrustende manier. Elk incident wordt op zichzelf beschouwd, snel en zonder context van een vluchtige en niet zelden voorbarige betekenis voorzien. Pas nú – tien jaar na de klap – ontstaat er een beetje een beeld van wat er eigenlijk gebeurde op 9/11 en ontstaat er een voorzichtig gesprek over de effecten ervan in de wereld. Met veel mensen kun je geen gesprek voeren dat langer duurt dan 140 lettertekens. Een artikel die langer dan twee bladzijdes is, kan amper de tijd boeien die nodig is om het te lezen. Politici praten in one-liners – meer kunnen de kiezers niet aan, meer kunnen de politici niet kwijt in hun tweets.

Vrolijk word ik van de associatie die twitteren voor mij heeft met schreeuwende meeuwen:


Twitteren is in mijn perceptie het gevecht om aandacht zoals meeuwen vechten om een hapje:
Mine! Mine! Mine!

donderdag 8 september 2011

Waar zetten beelden jou toe aan?

Steve McCurry: In the Middle of Extremes

Beelden die werkelijk raken, emotioneren ons.
Wat ons emotioneert, zet aan tot alles wat we voelen.
Wat we voelen, kán ons aanzetten tot denken.
Wat we denken, trachten we om te zetten in woorden.
Die woorden stellen ons in staat om te delen wat ons raakt, wat ons emotioneert, wat we voelen.
Denken is innerlijk woorden horen en spreken, in stilte. Die innerlijke woorden kunnen leiden tot keuzes: zo wél, en zo niet.
Onze keuzes kunnen ons aanzetten tot handelen. Tot dat wat we doen.

Wat ons emotioneert kan zo hevig zijn, dat hetgeen we voelen niet toe (kunnen, durven) laten tot onze gedachten.
We wenden ons af en kijken weg. We komen niet tot innerlijke woorden, we komen niet tot doen. We doen niets. We doen iets anders.

Wat denken lukt ons niet altijd om in woorden om te zetten, of wel in woorden, maar niet de juiste woorden.
Delen wordt dan lastig. Komen tot goede keuzes evenzo. We doen dan soms niets. We doen in ieder geval iets anders.

Niet altijd lukt het om onze keuze om te zetten in handelen dat in lijn is met die keuze.
We doen dan iets anders dan dat we zéggen belangrijk te vinden.

Hoe dan ook: in ons handelen, in wat we doen drukt onze moraliteit zich onomkeerbaar uit. In wat we doen kunnen we niet liegen. In wat we doen, is geen vrijblijvendheid meer.

We kunnen práten over MVO, we kunnen MVO-jaarverslagen maken en MVO-symposia organiseren, en we kunnen vinden dat iedereen aan MVO zou moeten doen. Dat alles is vrijblijvend want onomkeerbaar. Praten over is niet werkelijk doen. Waar we werkelijk voor staan, laten we niet zien zolang we praten, vergaderen, onderzoeken, plannen maken en beleid voorschrijven.

Onze moraliteit drukken we slechts uit in de wijze waarop we concreet maatschappelijk meer of minder verantwoord ondernemen.

Waar zetten de beelden van Steve McCurry jou toe aan?

dinsdag 6 september 2011

Aansluiten bij CSR Academy: de wereld wordt mooier!

De ontdekking dat social media ook een verplichtend karakter hebben - en in dit geval: gewenst! - doe ik als gevolg van het on air gaan van de website van CSR Academy. Op die website staat de hoogstnodige informatie over wat ik doe. Voor uitgebreidere (en persoonlijke) informatie verwijst de site door naar mijn InterEsse bLog. Dan moet daar wel wat te lezen zijn!

Als ik er goed over nadenk zijn het niet die social media die een verplichtend karakter hebben. Het zijn mijn eigen denkbeelden en overtuigingen, die mij verplichten.
In die zin zijn het sturende opvattingen. Welke opvattingen kan ik traceren?
Ik vind blijkbaar, dat ik ook op het internet informatie over mijzelf moet plaatsen. Waarom vind ik dat? Ik vind - schoorvoetend en enigszins met tegenzin (waarom vinden die mensen mij niet gewoon, waarom moet ik reclame maken voor mijzelf?) - dat ik mijzelf actief kenbaar moet maken als adviseur en trainer en coach.
Waarom vind ik dat ik mijzelf kenbaar moet maken? Ik vind dat omdat ik denk daarmee de kansen groter te maken, dat ik gevonden wordt door mensen die willen benutten wat ik kan en ken willen.

En waarom vind ik het nodig dat mensen mijn kennen en kunnen benutten?

Enerzijds omdat ik inkomen nodig heb om tenminste in mijn eigen onderhoud te voorzien, en ook om de niet direct (op termijn wél) noodzakelijke maar wel leuke dingen te kunnen doen.

Anderzijds - en dit heeft direct te maken met mijn verbinding met CSR Academy - wil ik dat mensen benutten wat ik kan en ken omdat ik erin geloof, dat daarmee de wereld een beetje mooier wordt.
Tjonge. Is dat niet een schaamteloos arrogante claim:
"Huur Bart Hamming in, en de wereld wordt een beetje mooier."
Schaamteloos? Ja, want ik schaam mij niet voor deze claim (die geen claim is, maar mijn geloof).
Arrogant? Nee (vind ikzelf), want - nogmaals - ik geloof er wérkelijk in dat het zo is.

CSR. Corporate Social Responsibilty.
In Nederland zeggen we MVO. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Wat mij betreft is CSR of MVO niet anders dan hard werken aan het wáármaken van het geloof dat wat jij doet de wereld een beetje mooier maakt. Dat je tegen jezelf en de mensen om je heen zonder schaamte en zonder arrogantie durft en kunt zeggen: wat ik doe maakt de wereld een beetje mooier!
(En dat je daar in ieder geval je stinkende best voor doet!)