woensdag 19 oktober 2011

Mine! Mine! Mine! (2)


Naast twitteren is er ook zo het een en ander te zeggen over de social media in het algemeen.

Enthousiastelingen propageren die sociale media om meerdere redenen. Ze vinden het goed dat er (a) veel verbindingen ontstaan tussen mensen die (b) anders nooit contact met elkaar zouden hebben gemaakt en (c) dat contact nooit zouden kunnen onderhouden. De communicatie via social media worden (d) als aanvullend gezien op alle andere wegen die wij kennen om met elkaar te communiceren. Interessant argument pró social media vind ik (e) de toegejuichte snelheid waarmee we berichten kunnen uitwisselen. En tenslotte – heel ingewikkeld – zouden wij mensen via de social media op elkaar aangesloten wezens (f) tezamen een hogere intelligentie realiseren. We vergelijken dan graag met voorbeelden uit de dierenwereld: zoals een enkele vogel wellicht niet zo clever is, dichten we de enorme zwerm wel zo’n hogere vorm van intelligentie toe. (Zie bijvoorbeeld ‘Swarms’ van de BBC.)

Ik loop die pró argumenten eens langs.
(a) Ontegenzeggenlijk hebben mensen nog niet eerder in het bestaan van de mensheid op zo grote schaal met elkaar contact kunnen maken – via techniek, that is.
We weten echter niet of mensen op andere manieren, dan via technische, artificiële middelen, niet sowieso met elkaar in verbinding (hebben ge-)staan. Verschillende spirituele tradities spreken van de verbinding met het al, of de cosmos, of variaties van wat wordt bedoeld met dergelijke woorden. Als er waarheden schuilen in die spirituele tradities voor wat betreft het bestaan van die andere, universele verbindingen tussen mensen, dan zijn daarbij vergeleken die social media natuurlijk maar heel povertjes: het grootste deel van de mensheid heeft nog geen toegang tot de social media, terwijl zij op die andere wijze behoren tot het geheel dat de cosmos is.
Voor mij is (a) vooralsnog meer een constatering (we kunnen op ongekend grote schaal via technische middelen contact met elkaar maken), dan een argument vóór social media.

(b) Zonder social media zouden die mensen nooit contact met elkaar gemaakt hebben.
Ook hier weer: dat klopt, wanneer je in dit argument opneemt: via déze techniek.
Vóór het bestaan van social media maakten mensen ook, volkomen toevallig, contact met elkaar. Of de huidige, met techniek ondersteunde wijze van toevallig contact met elkaar maken beter is (of in welk opzicht precies anders) dan de – nog steeds bestaande – oude manier van contact maken, weten we niet.

(c) Via social media kunnen we beter contact onderhouden.
Dit lijkt me een deugdelijk argument. Tenminste: ik ervaar zelf dat ik makkelijker en vaker een sms-je verstuur of een email, dan dat ik telefoneer. Telefoneren doe ik wel maar bijna alleen nog tijdens de uren onderweg in de auto. Brieven schrijven doe ik bijna niet meer en enkel privé. En de mensen die ik ‘life’ opzoek zijn of de mensen waarmee ik werk (het overgrote deel van mijn ‘life’ contacten) en enkele (afgezet tegen die eerste groep) vrienden en familieleden.
Terwijl ik inderdaad veel van die contacten onderhoud met gebruik van moderne technieken, blijf het verlangen voelen mijn familie en vrienden vaker ‘life’ te ontmoeten, en voel ik de frustratie van het zo zelden een echte brief schrijven. Enerzijds maakt het gemak van de techniek dat ik me daaraan overgeef. Anderzijds maakt het aantal mensen met wie ik contacten onderhoud, wíl onderhouden, dat ik de tijd niet heb om vaker ‘life’ op te zoeken of die brieven te schrijven. In die zin ervaar ik de social media eerder als hinderend en beperkend.

(d) De social media zijn aanvullend.
Ik denk het wel, aanvullend. Maar zoals ik boven al schreef: in mijn situatie nemen die technische mogelijkheden meer óver, dan dat ze aanvullen.

(e) De social media maken veel snellere communicatie mogelijk.
Voor zover ik overzie: ontegenzeggelijk waar.
Alhoewel: die spirituele ‘waarheden’ spreken over een communicatie die natuurlijk nog veel sneller is. In die ‘waarheid’ hébben we altijd al contact, en hoeven we geen woorden te wisselen om met elkaar contact te leggen. In die ‘waarheid’ ís dat contact er. Wij zíjn in contact, wij zijn één – als fysiek te onderscheiden delen van het cosmische Geheel.
Is die (technische) snelheid zo wenselijk? Als het gaat om competitie is snelheid absoluut een succesfactor. De eerste zijn, de snelste zijn – het zijn kwalificaties die welhaast automatisch associëren met kwalificaties als de beste, beter dan de tweede, beter dan de minder snelle. Hang je het geloof in competitie en concurrentie aan, dan is snelheid dus zeer wenselijk.
Hang je het geloof aan waarin kwalificaties als samen, groeien, bedachtzaam, slow (als in slow food), co-operatie (vs. competitie) als succesfactoren, dan kan het niet anders of je zult toch wat vraagtekens moeten plaatsen bij die zo geroemde snelheid die de social media ons bieden.
De snelheid waarmee we berichten van anderen binnen krijgen, respectievelijk waarmee we onze ingevingen, ideeën, impulsen aan de wereld kenbaar maken, heeft effecten die deels nu al ervaren kunnen worden en deels effecten, die we nog niet overzien. Waarneembaar is dat bijvoorbeeld twitteren leidt tot een stroom van meningen over meningen over meningen, reactie op reactie op reactie. Ik zag dat er zelfs een nieuw woord is voor dit fenomeen: twitterfitty. Volg je als buitenstaander een reeks van elkaar opvolgende tweets, dan ontstaat vaak het beeld van een ongeleide, ongerichte sliert meningen, waarvan de laatste niet persé meer iets te maken hoeft te hebben met de aanleiding van de eerste tweet. Het is als in het spelletje op het schoolplein: laat het eerste kind iets in het oor fluisteren van het tweede – bijvoorbeeld ‘bromtol’ – en na acht kinderen elkaar te hebben laten befluisteren, kan het laatste kind triomfantelijk roepen:‘springtouw!’
Onderweg hebben slecht luisteren, individuele associaties en vrije interpretaties zo hun effecten.

Wat ik mis in die slierten van meningen en over elkaar buitelende ingevingen, is opbouw van iets. Ik heb bijvoorbeeld nog niet gezien dat soort slierten onsamenhangende getwitterde ideeën leidden tot ontwikkeling van een samenhangend gedachtengoed. Nieuwe ideeën worden zo snel toegvoegd dat het doordenken en overwegen van waarde en betekenis van ideeën van anderen in de twittersliert amper mogelijk is. Immers: snel is Goed, veel is Goed. Dóórdenken en overwegen is niet Snel en beperkt je in het aantal te produceren tweets (en in dit geloof dus twee factoren die tot minder Goed leiden).

Wat ik waarneem is dat ‘gesprekken’ via andere media al met moeite leiden tot doordacht en afgewogen gedachtengoed. De ‘discussies’ via LinkedIn bijvoorbeeld verlopen via een veel trager medium dan twitteren. Maar ook daar is te zien dat menig discussie vooral benut wordt als plek om óók iets te zeggen over of een associatie toe te voegen aan het ‘topic’ dat aanleiding tot de ‘discussie’ was. Behulpzaamheid te over, goed bruikbare associaties wellicht, maar gezamenlijk voortbouwen van de ene idee op de ander tot een gedachtenbouwwerk heb ik er nog maar amper gezien. Binnen de kortse keren fladdert een discussie alle kanten op (gelijk een sliert tweets maar dan met meer lettertekens) en een dialoog wil het maar niet worden. Heel soms lukt het om een dialoog vorm te geven in een ‘life’ bijeenkomst, maar ook daar lijkt het vermogen om werkelijk te dialogiseren eerder af dan toe te nemen.
(Dat afnemen van dergelijk vermogen, daar schrijf ik onderstaand meer over.)

(f) Dankzij o.m. twitteren ontstaan meer verbindingen, als gevolg waarvan een hogere intelligentie ontstaan dan die van de enkele individu.
Deze claim verwijst naar fenomenen die we in de dierenwereld kunnen waarnemen. Eenvoudig verteld: één enkele mier of vogel demonstreert een niet zo hoog intelligentie niveau. Opgenomen in de gemeenschap van duizenden of zelfs miljoenen individuen laten kolonies mieren en zwermen vogels facinerende mogelijkheden zien, die wij intelligent noemen.
De aanname is nu dat een kolonie respectievelijk zwerm twitterende mensen een stuk intelligenter is, dan de enkele individu. Of uit deze vorm van intelligentie hoogwaardiger ideeën geboren worden, kan ik nergens achterhalen. Wat ik wel kan waarnemen is dat via twitteren (en andere social media) mensen sneller en massaler gemobiliseerd kunnen worden dan zonder die technieken, zoals voetbalhooligans en opstandige arabieren laten zien. Voor het (snel) organiseren van dingen lijken de social media van enorm toegevoegde waarde.

Krantenlezend en er over pratend met anderen leverden nog zo wat losse invallen op.
De suggestie dat al die via social media verbonden mensen tezamen een hogere intelligentie vormen, riep bij mij de associatie op met een brein, dat op hol slaat. In die associatie zie ik de individu als een hercencel. Werkelijke hersencellen “vuren” hun informatie af aan slechts één andere cel. Via social media (zoals twitter) “vuurt” de individu zijn informatie ongericht en aan een onbekend aantal individuen af. Bovendien hebben de werkelijke ontvangende hersencellen een remmende opvang-werking, terwijl de individuen waarneembaar over een afnemend remmend vermogen beschikken: wij komen om in de informatie-tsunami die ons dagelijks overspoelt. 
In die zin wij zijn als een (virtueel) brein dat op hol slaat.

Trouwens: een nieuwe intelligentie? Als die al zou ontstaan is die door ons niet te snappen, niet te overzien. Enkel inlichtingendiensten met supercomputers die wereldwijd social media-verkeer volgen, kunnen wellicht op termijn patronen ontdekken. Dan ook hier weer even die associatie met een brein: zie hoever we zijn met hersenonderzoek.

Opmerkelijk vond ik het bericht van ‘Jeugd & Cybersafety’-onderzoeker Joyce Kertens aan NHL Hogeschool Leeuwarden. Zij vond uit dat veel jongere mensen de intimiteit van de slaapkamer verwarren met de schijnintimiteit van het ‘onder ons’ internetten. Ook meldt Kertens dat adolescenten social media (Hyves en Facebook) veelal gebruiken bij het creëren van hun identiteit.

Dan schreef een historicus dat op internet informatie veroudert en niet tot historie wordt. Dat komt omdat de context ontbreekt. Er wordt geen samenhang tussen een voorval en een idee gegeven, waardoor er geen betekenis ontstaat.

Marina Lacroix, politicologe, merkte op dat de dood van Steve Jobs welliswaar confronterend kan zijn, maar dat het erop lijkt dat de online rouwbetuigingen vooral het imago van de rouwbetuigende dient te scherpen: “(..) eventjes kun je je associëren met deze Belangrijke Persoon.(..)”

Social media maken iedereen tot zender, ondanks de schaarste aan ontvangers die de tijd hebben om te kunnen lezen, luisteren én met de tijd en aandacht om ideeën, gedachtes en mogelijkheden te kunnen ‘proeven’ én die erop kunnen voortborduren tot een samenhangende, grotere idee.
Slechts de niet doordachte impuls, veroorzaakt door een oneliner of tweet, is de op zichzelf staande aanleiding tot het zelf weer zenden.

James Surowiecki schreef in zijn Wisdom of Crowds (2004): “Internet is prima voor het snel opzoeken van informatie, het mobiliseren van grote groepen mensen, het bieden van tegenwicht aan de communicatiemiddelen van overheden, het vinden, vergelijken en kopen van spullen en diensten, het bijhouden van contacten (niet: het onderhouden van vriendschappen of liefdesrelaties), en het helpen van het toeval.”

En Bram Bakker, psychiater, schreef over Twittergedrag onder meer, dat (..) aandachtsverslaving de meest voorkomende en meest onderschatte vorm van verslaving is. (..)

Of social media per saldo meer negatieve dan positieve effecten veroorzaken of andersom, weet ik nog niet. Voor zover ik nu kan beoordelen, lijken mij de verschillende effecten, zoals fragmentatie en de in ieder geval door mijzelf ervaren verslavende werking, niet wenselijk. Of beter: mijzelf bevallen die effecten niet. Vooral overzie ik nog niet waar deze steeds technischer vorm van communiceren toe gaat leiden. Mijn blog hierover moet je daarom zien in het licht van mijn onderzoek.

Ik vermoed overigens dat ik er uiteindelijk op uitkom, dat het niet zozeer de social media zijn die positieve of negatieve effecten veroorzaken, alswel onze omgang met die technieken.