De verkoop van WhatsApp aan Facebook veroorzaakt veel tumult. Economisch
georiënteerden breken het hoofd over de vraag hoe je het voor elkaar krijgt om
een 55 man sterk en overigens voornamelijk virtueel bedrijf voor 13,8 miljard
euro te verkopen, en over de vraag hoe Facebook dit bedrag gaat terug
verdienen. Voor- en tegenstanders van WhatApp en Facebook, en het gemiddelde
journaille, maken zich en
masse druk over de risico's van schending van de individuele privacy. Voor- en tegenstanders van het
al dan niet vrijwillig ter beschikking stellen van private gegevens, zijn onder
te brengen in de groepen “Ze mogen alles van mij weten, want ik heb niks te
verbergen” en de groep die inmiddels welhaast paranoïde zoekt naar middelen en
maatregels, om gegevens af te schermen. Waar het werkelijk om gaat, ontgaat
beide groepen.
Want waar het wél om gaat is dit: élke macht van enige
omvang is slechts en alleen geïnteresseerd in de materiële waarde die jij
(potentieel) vertegenwoordigt. Jouw arbeidskracht, denkkracht, verdienvermogen
en voortplantingsvermogen, dat valt allemaal binnen het domein van materiële
waarde. Bij elkaar opgeteld vertegenwoordigen je vermogens een economische (materiële)
waarde. Deze materiële waarde moet beheerst, gestuurd, gemanaged, gecontroleerd
worden. Dát is waar het om gaat, zowel eeuwen geleden als vandaag de dag.
Daarom ook wil elke macht maar al te graag weten welke
ideeën er in jouw hoofd spelen, en ook welk macht jij hebt iets met die ideeën
te doen. Als “ze” ontdekken, dat jij weinig materiële waarde vertegenwoordigt,
en/of “ze” vinden uit dat jij er geen bedreigende (‘ketterse’) ideeën op na
houdt en/of het ontbreekt jou aan (sociale) invloed (macht) om iets met je
ideeën te doen, dan laten “ze” met rust. “Ze” willen namelijk zoveel als mogelijk controle over
die vermogens en liefst tenminste invloed kunnen uitoefenen over het vruchtgebruik ervan. Bedreiging van hun beheersing en zeggenschap over het vruchtgebruik, willen “ze” in
een zo vroeg mogelijk stadium detecteren, onder controle brengen en waar
mogelijk elimineren.
In variatie geldt ongeveer hetzelfde voor commerciële machten:
als blijkt (uit bijvoorbeeld marktonderzoek, of data-research) dat jij geen
kooplustige ideeën koestert, en/of je ontbeert de macht (het geld) iets met je
(kooplustige) ideeën te doen, dan laten die commerciële machten (bedrijven) je
links liggen.
In alle andere gevallen trek je vroeg of laat de
aandacht van “hen”, en die geven “ze” je dan ook. “Ze” zijn nieuwsgierige
overheden, en bedrijven die je iets proberen te verkopen. Ik twijfel of ik moderne
kerken ook onder die machten moet scharen, maar ik denk dat deze instituten nog
niet zo lang geleden zeker ook gerekend konden worden tot “hen”. De
vergelijking gaat in ieder geval wel op. Ook de vergelijking met het openbaren van de aandacht van de macht kent overeenkomsten. De ‘inquisitie’ van de kerk lijkt niet meer zo
actief, en die van westerse overheden is in de eeuwen een stuk subtieler geworden en het geweld veel minder
publiek.
Meer dan over het wel of niet ter beschikking stellen
van je private gegevens, of juist het beschermen daarvan, zou je moeten
nadenken over de idee van de waarde die “ze” aan jou toekennen, en de waarde
die jijzelf wilt vertegenwoordigen.
De manier waarop we waarde van mensen bepalen, geeft aan welke waarden we belangrijk vinden. Discussie dáárover is dieper dan de discussie over onze privacy.
Iemand als Edward Snowden heeft mogelijk deze dimensie van de omgang met individuele gegevens en het
wezenlijke motief dat daaraan ten grondslag ligt, ook nog niet
gezien. Maar tenminste intuïtief voelde hij aan, en steeds meer mensen met hem,
dat het om iets heel fundamenteels gaat. Fundamenteel gaat het om waarden en mensbeelden, die we hanteren. Dat fundament sneeuwt onder als we de juiste vragen niet - en telkens weer - aan de orde stellen.
Vanuit welk mensbeeld wil jij dat “zij” jou beschouwen en bejegenen? In welke mate wil je beïnvloed en gecontroleerd (kunnen) worden? In welke mate wil jijzelf de waarde bepalen, die je vertegenwoordigt als mens, als productiefactor, als verdienmogelijkheid?
Welke waarde ken jij jouzelf toe?
En jij, als je behoort tot de mensen die samen een amorf “zij” vormen: in welke mate stuur, beheers, manage, controleer jij individuen? Op welke waarde richt jij je? Welke waarde ken jij een individuele mens toe? Hoeveel invloed oefen jij op het “zij” waar je deel van uitmaakt uit, om de waarde die “zij” toekennen aan mensen te bepalen? Aan welke waarden houd jij vast?
Welke waarde ken jij mensen toe?
Dit zijn vragen die het fundament zouden moeten zijn van élk maatschappelijk debat:
Welke waarde kennen wij elkaar toe?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten