Dit is het laatste blog dat ik over taboes en onzin schrijf. Deze laatste keer schrijf ik over taboes
als het publiekelijk kenbaar maken, dat
je je vergist hebt, het op andere
gedachten komen, en dáárom andere
dingen gaan doen. Onderliggende taboes betreffen het niet weten en het taboe van vergissen,
vaak doorspekt met het taboe van falen,
of erger: mislukken. Al die dingen
mogen niet. En natuurlijk mogen erkennen,
bekennen en rekenschap geven al helemaal niet, zeker niet als je een leider
bent. Mooie illustraties van (een complexe mixture van) deze taboes vind je in
de politiek (daar wordt ‘op andere gedachten komen’, ‘zwalken’ of ‘draaien’
genoemd en is per definitie ‘onbetrouwbaar’), in de financiële wereld (lees de
columns van Joris Luyendijk over de Londense financiële scene), de woningbouw-coöperaties,
de vastgoedsector, defensie, de rechterlijke macht, de journalistiek, de kerk
(alhoewel daar een taboe-doorbrekend “Wir haben es nicht gewusst” klonk uit de
mond van Simonis, maar zijn hypocrisie was zo grotesk dat het weer niet echt
taboe-doorbrekend was), de Raden van Bestuur van zorginstellingen en bedrijven
en energieleveranciers, de gedrogeerde fietsbende (waar een taboe omerta wordt
genoemd), de fantasierijke wetenschappers, en, …, …
Tja, waar gelden
deze taboes niet?
Uitgerekend een
persoonlijk inzicht – in drie stappen kwam ik daartoe – doet mij besluiten om
het taboe in ieder geval zelf te doorbreken. Ik leg uit hoe ik mij vergist heb.
Mij daarvan rekenschap gevend, kwam ik op nieuwe gedachten. In dit blog laat
ik je weten wat ik daarom anders ga doen.
Het is nu echt
tot mij doorgedrongen: schrijven of roepen over taboes en onzin werkt niet! Hoe
scherp columnisten of cabaratiers of journalisten ook taboes en onzin aan de orde
stellen: het maakt allemaal geen drol uit. Mensen blijven doen wat ze doen, en andere
de mensen blijven zich er vrijblijvend boos over maken. “Goh, wat nam Youp ze
weer raak op de hak!”, “Wat was Mischa toch wel weer erg scherp!” “Goed dat het
gezegd is, dan hoeven wij het zelf niet te doen, en maandag gaan we weer in
mallemolen aan het werk, en maken we ons daar verder boos over wat er allemaal
mis is.”
Nu ja, het werkt
niet – en al zeker niet op het niveau waarop ik schrijf en roep.
Da’s stap één.
Op de één of
andere manier drong eerst recent écht tot me door dat alles – álles – dat aandacht krijgt, groeit! Ik
heb even over het hoofd gezien, dat alle aandacht die ik geef aan taboes en lelijke
onzin, natuurlijk ook ‘voedende’ waarde heeft . Wellicht niet direct meetbaar,
maar onweerlegbaar volgens mijn eigen logica, draag ik, door er over te
schrijven en me er anderszins mee bezig te houden, dus juist bij aan het
‘groeien’ van taboes en onzin.
Da’s stap twee.
De derde stap in
mijn denkproces is van pijnlijk persoonlijke aard. Over heel veel dingen
waarvan ik vind dat dat niet kan, dat het niet zou mogen maggen, dat het niet
rechtvaardig is, of laf, of anderszins niet deugt, ben ik heel erg boos en
verontwaardigd. De slotregel “Créer c'est résister.
Résister c'est créer”,
waarmee Stéphane Hessel
zijn essay “Indignez-vous!”
afsluit, is geheel en al aan mij besteedt. Wat ik mensen elkaar heb zien
aandoen in gemeentes en directoraten van ministeries, binnen politie en
defensie, in grote op winst gerichte bedrijven en in kleine door hoogstaande
idealen geinspireerde bedrijven, in vluchtelingenkampen in Bosnië en binnen de
NGO’s die eromheen cirkelden, of wat mijn vader mij aandeed, en ik hem … Zoveel
boosheid! Die boosheid op zichzelf lijkt me gerechtvaardigd, en het lijkt me
zelfs gek om over zulke dingen niet de boosheid te voelen. Ik wil ‘em niet
kwijt, die boosheid. Maar wat ik niet meer wil, is dat die boosheid mijn denken
en daardoor mijn emoties en daardoor mijn gevoelens zó bepaalt! Mijn boosheid
mag dan als een bougie-vonk de impuls zijn om verontwaardiging te voelen. Maar
vanwege de eerste twee ingrediënten weet ik nu dat het marineren van mijn
denken en doen in die emotie niet zo slim, want contraproductief is.
Daarom wil ik het
anders doen. Ik blijf alle lelijke, onjuiste en hypocriete onzin zien. Daardoor zal ik zal de boosheid erover blijven voelen als de hete emotie-erupties in mijn
lijf. Ik zie nu eenmaal wat ik zie, en wegkijken ligt nu eenmaal niet in mijn (in die zin) ongemakkelijke
aard. Maar wat ik anders kan doen, is het oefenen van het richten van mijn
aandacht. Ik ga oefenen met het mij richten op de dingen die wél werken. Op de
gedurfde, creatieve, slimme dingen die mensen verder brengen. Ik oefen met het
richten van mijn aandacht op de dingen die leuk, goed en mooi zijn.
Alles dat
aandacht krijgt, groeit. Ik ga leuke, goede en mooie dingen laten groeien.
“Congratulations Bart Hamming! Thank you so much for taking the time to share this exciting information.”
BeantwoordenVerwijderenclick here